Toen ik op mijn negentiende op kamers ging, vonden mijn ouders dat nog spannender dan ik. Hoe zou het gaan, studeren met diabetes? Gelukkig had ik een hospita die voor arts studeerde; een vriendin van een vriendin van mijn ouders, dus dat was vast wel veilig. Bovendien was ik ongeveer de saaiste aankomende student ooit, en hoewel mijn ouders al jaren hadden geprobeerd me dingen te laten doen die leeftijdgenoten deden, zat ik het liefst binnen met een boek. Puisterige knulletjes afslobberen achter de plaatselijke disco vond ik niet zo interessant. Ik was een keer in die disco geweest en de muziek stond me te hard. Dat slobberen viel trouwens ook behoorlijk tegen en ik besloot de kereltjes nog maar een paar jaar te laten oefenen tot ze het kunstje onder de knie hadden. Paps en mams hadden me ook eens naar een diabetenweekend gestuurd om andere puberdiabeten te leren kennen en mijn leven te beteren, maar toen ik merkte dat mijn bed door mijn met zuigplekken overdekte kamergenote toebedeeld bleek aan een rokend, hardrockend en puisterig mansfiguur, besloot ik dat dit niet mijn plek was. Ik belde mijn oom en tante, die in de buurt woonden, en vroeg of ze me wilden komen ophalen. Ontsnapping geregeld, aangenaam gezelschap van nicht in het vooruitzicht, en bovendien een heel wat luxere kamer: topweekend. Ik was in van alles geïnteresseerd, maar niet in roken, zuipen en doorhalen tot het ontbijt. Het zag er dus niet echt naar uit dat ik als student in zeven sloten tegelijk zou lopen, hoewel de mogelijkheid van één sloot wel aanwezig was, maar dat dan voornamelijk door mijn ietwat beroerde motoriek. Ik ging dus op kamers, en zag vol spanning uit naar de introductieweek. Die stond bol van de activiteiten: je fiets beschilderen, lunchconcerten, lezingen, culturele markten, eten bij medestudenten, openluchtfilmvoorstellingen. Alleen waren mijn medestudenten niet geïnteresseerd in lezingen, concerten en films, nee, wat zij wilden weten was waar een meter bier het goedkoopst was en hoe je zo veel mogelijk happy hours achter elkaar kon plakken. En ik dronk geen bier, want dat deed zulke rare dingen met mijn bloedsuikers. Het groepje waarmee ik op stap was, lag als het lunchconcert begon nog te slapen, en voor fietsen beschilderen waren ze ’s middags veel te brak. Dus dwaalde ik vaak in mijn eentje door de stad, dronk ’s avonds twee cola light en nam tegen half twee ’s nachts afscheid van mijn groepje. En toen begon het studeren. Al gauw had ik een groepje van gelijkgestemden om me heen: we leenden elkaars boeken, kleren en muziek, gingen naar de bios en kookten voor elkaar. Voor drank hadden we geen geld, en bovendien waren we toch meer van de thee. Ik instrueerde mijn vrienden over hypo’s en hypers, en verder bemoeiden ze zich nergens mee. Af en toe vroegen ze eens of ik niet eens iets moest eten, maar verder vonden ze dat ik wel op mezelf kon passen. En dat was ook zo. Nu ben ik afgestudeerd en heb ik een huisje helemaal voor mezelf. Ik bepaal mijn eigen werktijden, vergeet wel eens naar bed te gaan en sta regelmatig tegen lunchtijd op. Mijn vrienden hebben respectabele banen, kinderen en koophuizen, en hebben het dus veel te druk om mij te vragen of ik niet eens wat moet eten. Mijn ouders maken zich meer zorgen dan ooit. Maar bier drink ik nog steeds niet, want dat doet zulke rare dingen met mijn bloedsuikers.

Eerder gepubliceerd op Mydiabetesdigital.com