Als vakantievierend diabeet moet je op van alles letten. Wordt mijn insuline niet te warm of te koud? Hoe krijg ik naast alle medische toebehoren nog een tandenborstel en een onderbroek in mijn koffer? Hoe voorkom ik dat die Thaise/Albanese/Groenlandse douanebeambte mijn insulinepomp sloopt om te kijken of ik er geen drugs in verstopt heb? Maar na een paar jaar als diabetisch reiziger heb je wel een routine, en kun je dus gewoon op vakantie als je eenmaal hebt gecontroleerd of het gas echt wel uit is en de buren niet vergeten je kat eten te geven. Als je dan, na een valse start omdat je je paspoort tóch op het aanrecht had laten liggen, eenmaal op weg bent, is het vakantie. Maar alleen ben je nooit want je diabetes reist altijd met je mee, en soms zorgt dat voor ongewenste situaties. Diabetes is die ene passagier die de vlucht vertraagt omdat zijn drie hutkoffers te groot blijken voor het handbagagerek. Die ene verstekeling aan boord die voor chaos zorgt terwijl jij netjes geboekt hebt. Je hebt er niet om gevraagd, het is niet jouw schuld, maar je hebt er wel last van. Maar Suiker en ik reizen al jaren samen, en we kunnen – op een enkele keer na – wel met elkaar overweg. Natuurlijk was het wel even spannend, want ik ging met drie vrienden zeilen in Zweden. Met een klein bootje. Zonder koelkast, zonder toilet, zonder ziekenhuizen in de buurt. En al zijn er reddingshelikopters, een vlucht met zo’n ding staat niet op mijn lijst van favoriete vakantieactiviteiten. En ja hoor, mijn bloedsuiker ontspoorde. Geen idee hoe dat kon gebeuren, maar ik zat te hoog. Veel te hoog. We zaten op het bootje, bij een verlaten eiland, en ik zat te hoog. En als ik te hoog zit, kunnen er twee dingen gebeuren: ik word óf sloom, of helemaal hyper – daarom heet het natuurlijk ook zo. En deze keer vond Suiker dat de hyperoptie wel een idee was. Dus ik stuiterde die boot rond als een malloot. Ik klauterde al kletsend van het trapje op het achterdek en doopte mijn voeten in het water. Ik klom in de mast. Ik sprong van het voordek op de rotsen en weer terug. Ik hing in de touwen. Ik verkende het eiland in recordvaart. Onder begeleiding, want ik had mijn vrienden natuurlijk verteld wat er aan de hand was en het leek ze beter om me even niet alleen te laten. Ze hoorden mijn gebabbel minzaam aan en zetten in de tussentijd thee voor me. Ze zorgden ervoor dat ik niet in het water viel. Ze bleven wakker tot ik weer een aanvaardbaar bloedsuiker had. En ze klaagden niet een keer. Ik had ze gezegd dat ik de volgende dag waarschijnlijk wel in zou storten, dus we waren allemaal nogal verbaasd dat ik de volgende ochtend als eerste wakker was, een rondje in zee had gezwommen, en zelfs geen last had van een ochtendhumeur. En dat is voor mijn doen héél bijzonder. We ontbeten, deden de afwas, haalden het anker op, voeren op de motor de baai uit, en hesen het zeil. Het weer was prachtig, de wind was goed, en we vlogen over de golven. En na een uur stortte ik in. Ik kroop naar binnen, ging op de bank liggen, en sliep terwijl de horizon klotsend en schuimend voorbij zoefde. Pas toen we weer aanlegden aan de steiger werd ik wakker. Ik had mijn vrienden wakker gehouden, ze suf gekwekt, ze weer vroeg wakker gemaakt, en was daarna zonder een woord verdwenen. En ze vonden het niet erg. Het was misschien niet het mooiste, maar wel het meest ontroerende moment van mijn hele vakantie.

Eerder gepubliceerd op Mydiabetesdigital.com